3.
Remco Campert

titel: ik wil wel

Vanaf zijn eerste dichtbundel uit 1951 (Vogels vliegen toch) toonde Remco Campert (Den Haag, 1929) zich een gematigd experimenteel dichter, ‘de meest verstaanbare Vijftiger’, wars van iedere retoriek. “Campert vouwt het leven als een krant open, dubbelzinnigheden vermijdt hij, zijn taal is gewoon, de regels lopen op bijna jaloersmakende natuurlijke wijze”, schreef criticus Kees Fens over zijn werk in de onder de titel Dichter uitgekomen verzamelde gedichten. Het streven en het falen van de dichter gaan bij hem samen sinds zijn vroegste werk. Hoewel zijn voorkeur het sterkst blijft uitgaan naar de poëzie, wijdde Campert zich later steeds meer aan het schrijven van proza. Zijn opvallend verstaanbare, sobere taal gebruikt hij ook voor zijn korte verhalen, romans, kinderboeken en columns (de laatste jaren, afwisselend met Jan Mulder, dagelijks op de voorpagina van De Volkskrant). In 1979 kreeg hij de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele dichtwerk.

 
dichter_uitgelicht